Strijken, stap voor stap
Strijken werkt doordat warmte en vocht samen de vezels tijdelijk soepel maken, waarna ze afkoelen in de vorm die jij ze geeft. Uit die ene zin volgen alle regels: zonder vocht lukt het niet, met te veel warmte beschadig je de stof, en wat je als laatste doet, blijft het mooist.
Het meeste strijkwerk voorkom je trouwens in de wasmachine — dat staat in minder strijken. Dit gaat over wat er tóch nog ligt.
De temperatuur
De puntjes op het strijksymbool van het etiket zeggen het, en er zijn er maar drie. Zie wassymbolen op het wasetiket.
| Stand | Punten | Voor |
|---|---|---|
| Laag (tot ~110 °C) | één | zijde, wol, acryl, elastaan, nylon |
| Midden (tot ~150 °C) | twee | polyester, viscose, mengsels |
| Hoog (tot ~200 °C) | drie | katoen, linnen |
Begin bij twijfel koel en werk omhoog. Een te koud strijkijzer doet niets; een te heet laat een glimmende plek of een gaatje achter, en dat is onomkeerbaar.
Praktisch: strijk in volgorde van koud naar warm, dan hoef je nooit te wachten tot het ijzer afkoelt. Eerst de zijden blouse, dan het polyester hemd, dan de katoenen lakens.
Vocht is het halve werk
Kurkdroog textiel strijken kost drie keer zoveel moeite.
- Strijk licht vochtig. Haal de was uit de droger of van de lijn als hij nog niet helemaal droog is — dat is het ideale moment.
- Anders: een plantenspuit. Even bevochtigen, een minuut laten intrekken.
- Stoom doet hetzelfde, maar niet op zijde en niet op alles wat waterkringen krijgt.
- Een strijkdoek (een katoenen doek tussen ijzer en stof) beschermt donkere stof, wol en alles met een print tegen glimplekken.
De volgorde per stuk
Bij een hemd werk je van klein naar groot, zodat wat af is niet meer verkreukelt onder je handen:
- Kraag, aan de binnenkant, dan aan de buitenkant.
- Manchetten, open en plat, ook binnenkant eerst.
- Mouwen, met de naad recht.
- Schouderstukken over de punt van de plank.
- Achterpand.
- Voorpanden, de kant met de knopen als laatste — daar strijk je tussen de knopen, niet eroverheen.
Bij een broek: eerst de band en de zakken, dan de pijpen op elkaar gelegd. Bij een rok: van binnen naar buiten, plooien met de hand op hun plaats gehouden.
Wat je aan de binnenkant strijkt
Niet als voorzorg maar als regel, want aan de buitenkant krijg je glimplekken:
- Donkere en zwarte stoffen
- Wol, altijd, en met een doek ertussen
- Zijde, licht vochtig en zonder stoom — zie zijde wassen
- Alles met een print, opdruk of pailletten
- Corduroy en fluweel: eigenlijk helemaal niet strijken; ophangen in een badkamer met stoom werkt beter
Wat je niet strijkt
Elastaan, waterafstotende jassen (het smelt de coating — zie regenjas wassen en impregneren), sportkleding met technische vezels, en imitatieleer.
Bruine strepen op je ijzer
Kalkaanslag uit de stoomgaatjes, of gesmolten vezel van een te hete beurt. Beide krijg je eraf met een lauw sopje op de koude zool, en bij kalk met een ontkalkingsbeurt volgens de handleiding. Vul bij hard water het reservoir met gedemineraliseerd water — de reden staat in hard water en kalk.
Meteen ophangen
Warm textiel is nog vormbaar. Leg je een gestreken hemd op een stapel, dan koelt het af in de vouw die je er net uit haalde. Hang het op tot het volledig is afgekoeld, dan pas in de kast.