Krimpen voorkomen (en wat je nog kan redden)
Een trui die twee maten kleiner uit de trommel komt, is bijna altijd één van twee dingen. Het verschil bepaalt of je hem nog kan redden.
Ontspanningskrimp is het loslaten van de spanning die bij het weven of breien in de draad is gezet. Warmte en beweging laten de vezels terugveren naar hun natuurlijke lengte. Dat gebeurt vooral bij katoen, linnen en viscose, meestal de eerste paar wasbeurten, en het is deels omkeerbaar.
Vervilting is iets anders. Wolvezels hebben microscopisch kleine schubben; door warmte, water en wrijving haken die in elkaar en klitten ze samen. Dat is geen krimp maar een nieuwe stof, en die krijg je nooit meer los. Zie wol wassen.
Welke stof krimpt hoeveel
- Katoen en linnen: merkbaar, tot enkele procenten, vooral bij de eerste wasbeurten. Draagt het etiket “pre-shrunk” of “voorgekrompen”, dan is dat werk in de fabriek al gedaan en valt het mee.
- Viscose, modal, lyocell: de gevoeligste van allemaal. Nat worden ze slap en zwaar, en ze trekken sterk samen bij het drogen.
- Wol en andere dierlijke vezels: vervilten, zie hierboven.
- Polyester, nylon, acryl: krimpen nauwelijks in water. Wel gevoelig voor hitte: te warm drogen vervormt en verhardt ze, en dat is even blijvend.
- Gebreid tegenover geweven: breisels krimpen altijd meer dan geweven stof, ongeacht de vezel. Een T-shirt is kwetsbaarder dan een hemd.
De droogkast is de boosdoener, niet de was
Het meeste krimpen gebeurt niet in de wasmachine maar in de droogkast. Daar komen de twee factoren samen die de vezel doen terugveren: hitte en constant tuimelen.
Wie krimp wil vermijden, wint dus het meest door daar in te grijpen:
- droog op lage temperatuur of op het kastdroog-programma in plaats van extra droog;
- haal de was er licht vochtig uit en laat hem verder aan de lucht drogen. Dat is ook beter voor de kreuk;
- leg breisels plat te drogen in plaats van ze op te hangen, anders rekken ze uit onder hun eigen gewicht.
Hoe je in de wasserette een droogblok niet te veel betaalt, staat in in de droogkast.
De regels voor de wasbeurt
- Volg het etiket. Het getal in de tobbe is een maximum, geen aanbeveling. Zie wassymbolen op het wasetiket.
- Was koeler. 30 graden is voor gewoon vuile kleding ruim genoeg, en scheelt zowel krimp als energie. Zie op welke temperatuur wassen.
- Minder beweging. Een kort of fijnwasprogramma laat de trommel trager draaien. Precies wat een breisel nodig heeft.
- Niet te hard centrifugeren. 800 toeren volstaat voor kwetsbare stukken; het scheelt vervorming, al betekent het wel wat langer drogen.
- Waszak voor breisels en fijne was, zodat ze niet meegesleurd worden door de zware stukken.
- Sorteer op stof, niet alleen op kleur. Jeans in dezelfde trommel als een fijn T-shirt is schuurpapier tegen zijde. Zie was sorteren.
Een gekrompen stuk nog redden
Bij ontspanningskrimp — dus katoen, viscose, en een breisel dat kleiner maar niet vilterig aanvoelt — is er een redelijke kans:
- Week het stuk een half uur in lauw water met een scheut babyshampoo of haarconditioner. Die maakt de vezels tijdelijk soepel.
- Niet uitwringen. Rol het in een handdoek en druk het water eruit.
- Leg het plat en trek het voorzichtig in vorm, in kleine stappen, van het midden naar de randen. Meet tegen een stuk dat wel nog past.
- Laat het plat drogen, zonder warmte, en herhaal het uitrekken één keer terwijl het nog vochtig is.
Je haalt zelden alles terug, maar een halve maat is realistisch. Bij een vervilte wollen trui heeft het geen zin: die vezels zitten mechanisch in elkaar gehaakt en laten niet meer los.
In de wasserette
Grote trommels zijn hier een voordeel: er is meer ruimte, dus minder wrijving tussen de stukken. De valkuil zit in het programma, want de knoppen zijn vaak beperkt tot een handvol keuzes, en het warmste programma is meestal ook het langste.
Twijfel je over een stuk, was het dan mee op 30 graden en laat het aan de lucht drogen in plaats van het door een droogblok te halen. Wat je verder best meebrengt, staat in wat neem je mee naar de wasserette.